“We zouden de hond een parachute moeten geven”, zei de geliefde van mijn grootmoeder toen de uitgemergelde hond de kracht niet meer vond om van de kofferbak op de grond te springen. Ik beeldde me de stokoude hond in, zwevend met een parachute over de tuin. Mijn grootmoeder had me gewaarschuwd toen ik enkele dagen bij haar op vakantie kwam in de Dordognestreek. De hond was ziek, had wratten op zijn witte vacht en een tumor in de lever. Het arme dier laat zich vallen van de kofferbak, sleept zich over het gras. “Ik ben er nog niet klaar voor om de hond te laten gaan”, zegt ze. “Het gaat niet om jou”, zegt haar geliefde.

“Wanneer weet je of een hond lijdt?” tik ik in op Google. Een hond jankt als hij pijn heeft. Gelukkig jankt hij niet, hij slaapt de hele dag. Ik lees dat je heel lief moet zijn voor een hond die sterft, je moet een wezen dat de wereld zal verlaten, zo teder mogelijk strelen. Dus streel ik de hond, zijn oren, zijn snuit. De hond laat zijn kopje rusten in mijn handen, likt aan mijn vingers. Als hij er genoeg van heeft gaat hij naar zijn mand, verder slapen.

“Waarom moet een hond onnodig afzien?” vraagt de geliefde van mijn grootmoeder. “Ik vraag me af of de rat er voor niets tussenzit”, zegt mijn grootmoeder. Sinds enkele maanden is er een rat – herkenbaar aan de kegelvormige keutels – die elke nacht de hondenbrokken opeet. Sind de intrede van de rat heeft mijn grootmoeder rode uitslag op haar bovenlip. “Misschien brengt die rat vreemde ziektes met zich mee. Hoe dan ook, zolang de hond leeft, kunnen we geen gif leggen”, besluit ze.

Naast de rat is er een koppeltje duiven dat zijn intrek in het huis heeft genomen. “Ze schijten de hele garage vol”, zegt mijn grootmoeder geïrriteerd terwijl ze een hollandaisesaus maakt. Haar geliefde kijkt op van zijn kruiswoordraadsel: “Nee, ze doen hun behoefte, zo moet je dat zeggen.”

Ik sta aan de voordeur, kijkend naar de tuin, naar het zwembad waar ik met mijn broer als kind ambulancier speelde en een verdronken kakkerlak reanimeerde. Ik kijk naar de oude linde waar mijn moeder picknicks organiseerde met zelfgebakken braambessentaart. Ik kijk naar de hooiballen waar mijn vader een doelschijf op prikte en ons leerde schieten met pijl en boog.

De twee duiven passeren. Ze zien er tevreden uit in de tuin die ze kozen als vast verblijf. Mijn grootmoeder schenkt de aperitief, drie glazen champagne. “Misschien moet je toch al een put graven”, zegt ze tegen haar geliefde. “Ik wil dat de hond hier wordt begraven.” We klinken.

Een dag later speelt mijn grootmoeder voor God en beslist ze over het lot van de hond. De hond wordt zachtjes in slaap gedaan. Zo zegt de dierenarts het; zachtjes, in slaap. Tijdens de hondenbegrafenis komt de achtennegentigjarige buurvrouw met haar valse chihuahua de ceremonie bijwonen. De chihuahua die normaal gezien niet stil te krijgen is met haar gemene geblaf, is die dag lief, en komt troostend op onze voeten liggen. Mijn grootmoeder zegt: “Ongelofelijk toch hoe die beesten de dingen aanvoelen.”

Toen de hond stierf, verdween de rat. Gif leggen was niet meer nodig. Of het koppeltje duiven bij ons zou blijven, dat konden we niet weten.

Deze column verscheen op 20/5 in De Morgen.