Poging I
Ik weet niet zeker of ik tot hem aangetrokken ben
of tot zijn lichaam
of tot wie hij is
of omdat hij gewoon iemand is
die er nu is.
Als ik hem vraag wat we zijn
zegt hij: ‘we zijn wat we zijn.’
Ik denk dat ik tot hem ben aangetrokken
omdat ik graag zou zijn zijn
wat we zijn.
(Het zou ook kunnen dat we niets zijn.)
Hij stond op het feestje, waar ik ook was
ik zei dat ik hem niet terug kon kussen.
Want als ik hier sta
op dit feestje
waar iedereen naar me kijkt
en ik kus
en ik wil meer
en ik krijg het niet
dan ga ik omvallen.
Hij kuste me
en ik viel niet om.
Poging II
Hij zegt dat hij de meeste dingen die ik zeg
niet begrijpt, maar wel voelt.
Tijdens een tête à tête met zijn moeder
laat hij haar één van mijn smsen lezen
ze vindt dat ik eerlijk overkom
maar zeker niet gemakkelijk.
Het komt omdat ik soms
een kortsluiting ervaar in mijn brein
als iemand ‘nee’ zegt.
Hij zegt: ‘be happy.’
Poging III
Hij komt klaar, ik niet
we zeggen: ‘we zijn niet verliefd’
ik vraag hem of we nog wel
samen moeten slapen
hij zegt: ‘als ik dat eens wist.’
We staan op
ik gebruik zijn deodorant
bouw op, breek af
scheld hem de huid vol
en zeg elke keer weer: ‘
sorry.’
Steeds vervaagt het weer
wat we waren
wat we zijn.
Ik zeg:
‘
waarom is het toch zo moeilijk
om simpelweg te zijn
wat we zijn.’
Hij zegt:
‘ik ben hier nu toch?’
